Bibi

Bibi

Het is een van de eerste mooie warme dagen in mei. We lopen samen naar het voetbalveldje even verderop in het dorp. Daar heb ik samen met de bewoner van de Kastanje een bijzondere ontmoeting. Met Bibi.

‘Moet ik een jas aan?’, vraagt de bewoner nog als hij de bal van de kapstok pakt. Het is voor hem altijd moeilijk inschatten. In de winter kan hij maar zo in zijn T-shirt naar buiten lopen, op een warme zomerdag vraagt hij om een jas. In zijn gele hoodie loopt hij de deur uit. Stuiterend met de bal.

Tijdens de wandeling vertelt de bewoner dat hij vandaag een beetje verlegen is. ‘Wat is dat eigenlijk, verlegen?’, vraag ik hem. Hij vertelt dat die dag op zijn werk een nieuwe begeleider was. En daar moet hij dus heel erg aan wennen. Dan wordt hij een beetje verlegen. ‘Weet ik niet zo goed wat ik moet zeggen.’ ‘En ik ben nu nog steeds een beetje verlegen’, vertelt hij terwijl hij vrolijk een dorpsgenoot groet.

Het gebeurt vaker. Dat een bewoner tijdens een wandeling gevoelens uit. Je bent even één op één. Je zit niet tegenover elkaar, maar loopt naast elkaar. Met een duur woord, wandelcoaching. Het is mooi dat dit in het werk bij DeSeizoenen kan. Dat er tijd voor is. Om te ontmoeten, de verbinding aan te gaan. Een van de mooie essenties van de antroposofie.

Op het trapveldje schieten we rustig over. De bewoner schiet zo hard dat ik de bal vaak niet kan stoppen. Ik vraag hem de bal eerst stil te leggen voordat hij schiet. Dat doet hij netjes. Op het voetpad komt een mevrouw aangelopen. Met een hondje. Het hondje lijkt de bal wel leuk te vinden. Ik rol de bal naar het hondje toe. Hij vindt het eng. De bewoner rent naar ons toe. Hij reikt de mevrouw een hand en zegt zijn naam. ‘Ik ben gehandicapt’, maakt hij direct duidelijk. ‘Ik woon hier in het dorp. Hoe heet het hondje?’ De mevrouw zegt dat het hondje Bibi heet. De bewoner begint met Bibi te spelen. Heel rustig. Bibi komt naar hem toe. Blijft bij hem staan. Hij aait Bibi. Hij vertelt de mevrouw dat hij ook een hondje heeft gehad. Maar dat deze nu dood is. Na nog even met Bibi gespeeld te hebben, loopt de mevrouw verder. ‘Bibi moet nu gaan eten’, vertelt ze. ‘Een fijne dag nog’, zegt de bewoner. ‘Ook voor Bibi.’

Op de terugweg naar de Kastanje begint de bewoner nog even kort over zijn eigen hond. ‘Het was een hele lieve hond’, vertelt hij. ‘Ik mis hem heel erg.’ Ik sla een arm om hem heen. Samen lopen we verder. We zijn er allebei even stil van.