Ik ben geen ochtendmens. Ik voel mij vaak net een slak. Een slak die problemen heeft met opstarten. Ook dat nog. Toch mag ik ook in de ochtend de bewoners van de Kastanje verzorgen en begeleiden. Zodat ze na het ontbijt fris en vrolijk naar het werkgebied kunnen.
Het is druilerig weer als ik mijn auto op de parkeerplaats van Elivagar rijd. In de vissenkom, een ruimte met veel ramen, zit de nachtdienst. Het is een rustige nacht geweest op de Kastanje. Een van de bewoners is verschoond, een ander is zelf naar het toilet gelopen. Dat was alles wat er die nacht gebeurd is op de Kastanje.
Nadat ik alles klaar heb gezet voor het ontbijt, ga ik de bewoners één voor één wekken. Ik probeer mij altijd in de bewoners te verplaatsen als ik ze wakker ga maken. Ik zou het bijvoorbeeld zelf ook niet prettig vinden als ineens de deur van mijn kamer open zwiept, iemand naar binnen loopt en de gordijnen open maakt. Het daglicht ineens in je slaperige ogen. Daarom klop ik op de deur. Geef aan dat ik er ben en straks nog even terug kom. Kunnen ze rustig wakker worden. Vooral de bewoner die moeite heeft met opstaan. Het zou familie kunnen zijn.
Deze bewoner heeft zijn pyjama vandaag snel uit, en zijn kleren aan. Hij weet dat zijn favoriete begeleider op het werkgebied staat. Dan gaat het allemaal net iets makkelijker. Heeft hij minder aansturing nodig. Ik zie hem uit zijn kamer komen. Wens hem een goedemorgen. ‘Kan niet’, zegt hij kort. Ik snap het niet. ‘Goedemorgen, dat kan niet’, zegt hij nog een keer. Ik snap het nog steeds niet. Ik kruip even in zijn autistische brein. Maar dan legt hij het toch nog even zelf uit. ‘Het is vandaag’, verklaart hij. ‘Het is niet morgen.’ Ik sta met mijn mond vol tanden. Ik stel voor in het vervolg goede ochtend te zeggen. Dat vindt hij een goed plan. Dat klopt. Hij steekt zijn duim op. Ik denk opnieuw: ‘Wie heeft er nu eigenlijk een beperking?’ Zoals zo vaak de afgelopen tijd.
Bekijk mijn andere verhalen in het Zorgblog



