‘Tokio, I’m on my way. And in my new Toyota, it’s not so far away’. Ik moet denken aan dit nummer van Gruppo Sportivo wanneer ik samen met hem naar die mooie blauwe lucht sta te kijken. Het is een van die heerlijke koude winterdagen. Daarom besluiten we er samen even op uit te gaan. Met zijn voetbal in mijn hand. En hopelijk wat meer rust in zijn hoofd.
Het is inmiddels 1-0 voor de bewoner als ik hem naar boven zie staren. Ik weet dan inmiddels wat er te zien is. Een vliegtuig. Maar hij ziet er meer. Niet alleen die twee grote, maar ook een kleiner vliegtuig. Op lagere hoogte. Het is voor mij niet meer dan een zwarte speldenprik. Ik moet een foto van het vliegtuigje maken om hem goed te kunnen zien. Ik vraag de bewoner waar de vliegtuigen heen gaan. Hij twijfelt geen moment: ‘Tokio!’ Hij keert zich om en wijst mij op de mooie lucht boven de huizen.

We lopen terug naar de Kastanje. De bewoner neemt ferme passen. Hij heeft gewonnen, is blij. Ook omdat we samen eerder op de dag zijn voetbal uit de greppel naast de Kastanje hebben gehaald. Er waren wel wat capriolen voor nodig, maar samen lukte het. Hij waardeert het. Noemt mij zijn ‘hartsbegeleider’.
In de keuken probeert mijn collega een andere bewoner te foppen. Ze vraagt hem: ‘Zeg eens heel snel achter elkaar ‘auto’s.’ Als hij dit zou doen, zou zij zeggen dat het veel sneller kan. Door simpelweg ‘file’ te zeggen. Maar zijn autistische brein laat zich niet foppen. Het is dezelfde bewoner die vindt dat goedemorgen niet kan. Zijn antwoord: ‘Heel snel achter elkaar auto’s’. Ik moet lachen. Wat een taalpurist.
Wat later op de avond ben ik overigens al weer ‘hartsbegeleider’ af. Geheel onverwachts. Daar kan de bewoner overigens niets aan doen. Na een heftige epileptische aanval in bad, met noodmedicatie, slaat zijn stemming om. Het is een bijwerking. Als ik hem naar bed breng, sluiten we de dag desondanks goed af. De bewoner wenst mij een goede nacht.
Bekijk mijn andere verhalen in het Zorgblog



